Emmanuel Hiel
Hiel's liederen voor groote en kleine kinderen
Numéro d'article 10125494
Hiel's Liederen voor groote en kleine kinderen is een uitgebreide verzameling van 125 liederen en gedichten, samengesteld door de Vlaamse dichter Emmanuel Hiel. Het werk, gepubliceerd in 1879, bevat een breed scala aan thema's die aansluiten bij de belevingswereld van kinderen in de 19e eeuw, variërend van de natuur, seizoenen en dieren tot vaderlandsliefde, dagelijkse deugden en moralistische vertellingen. De teksten zijn bedoeld om zowel vermaak te bieden als opvoedkundige waarden mee te geven. INHOUD: OPDRACHT. Door diepe droefheid stil omher gedreven I. Nu is 't aan gang door gansch het land II. Lustig vrienden opgelet III. Als een haasje vlug op gang IV. Gaat de droeve winter hanen V. Kom, lieve lente VI. Jongens, hier is Nederland VII. Het wandelen is naar onzen zin VIII. Kent ge niet het wakker Mieken IX. Langs de doornenhaag met witte bloemen X. Vraag aan het roosje roodgekleurd XI. Daar hangt een spinnekop aan 't net XII. Ze liggen lang begraven XIII. Daar onder in de weide XIV. Kinderen, hoort iets van den vos XV. Loop maar snel XVI. Hoort naar het lied van Broeder Willem XVII. Door de sneeuw steekt spichtig 't hagelbosch XVIII. De winter geeselt buiten weer XIX. Vledermuis XX. Zoet smaakt de boterham XXI. Onder struweelen XXII. Daar klinken de klokken des avonds zoo zacht XXIII. Er was een kleine jongen XXIV. A. B. C. D XXV. A. A. A XXVI. Ja luistert, jongens, 'k heb gereisd XXVII. Hoe lang, hoe lange toch geleên XXVIII. Heide, op 't stoppelveld XXIX. Een scheepje dreef in onze koip XXX. Toen ik hem eerstmaal zag XXXI. Hoor, hoe trillend in de stalling XXXII. Verzwonden is het lied reeds lang XXXIII. Ginds bij den hollen weg XXXIV. Ik hoor des windjes zacht gemurmel XXXV. Wandelt gij door bloemenweiden XXXVI. Hoe zoet te luisteren naar mijn hart XXXVII. De lieveling van zusters en broeders XXXVIII. Zou ik mijn land niet minnen XXXIX. Kent gij der musschen mollig nest XL. Ons katje was een leelijk beest XLI. Ik ging door groene weiden XLII. Niet aan de barre XLIII. Toen Oogstmaand pas verschenen was XLIV. Vreedzaam glijdt de maan door wolken XLV. Zingen, o vriendekens, reinigt 't gemoed XLVI. Hier kronkelt de Schelde door dorp en door stad XLVII. Als de Grootvader bij Grootmoeder zit XLVIII. Met mijnen vader den klokken XLIX. Zwijg nu stille, kindje, stille L. Ach, ach, dit arme kindje, moeder LI. Doet nu zwieren de touter, de touter LII. Gister avond in ons huis LIII. Langzaam daalt de zwaluw neder LIV. Bitter moet ik weenen LV. Komt na eten LVI. Blaas, blaas, blaas LVII. Een uil, die op 't hen ezel zat LVIII. Ach, mijn broerken is bezweken LIX. Op de groene weide LX. Mijn vader ging naar 't veld LXI. Altijd violen, altijd stralen LXII. Vrienden, zegt me, kunt ge zwemmen LXIII. Doe wel en zie niet om LXIV. Hoe is het mogelijk dan LXV. Alle vrienden mogen 't weten LXVI. Eer aan het vaderland LXVII. Daar gaat een manier door de wei LXVIII. Waar wij ook dwalen, waar we gaan LXIX. Ach, mij heeft de vrees bevangen LXX. Ziet, kindren, ziet dit somber huis LXXI. Van waar komt gij gedreven LXXII. En toen de moeder tot hem sprak LXXIII. Eens wou Kobu Kleinverstand LXXIV. Laat ons gaan LXXV. Ziet op den druivelaar LXXVI. Ha, ha, ha en ha LXXVII. Weest nu stil, hij is gekomen LXXVIII. Wat flikkert 't hupplend koningsken LXXIX. En toen hij naar de schole ging LXXX. Daar zit het vroolijk zoet Mieken LXXXI. Kom aan, naar 't groene loover LXXXII. Een man, een man en een wijze man LXXXIII. Is de mei aangekomen LXXXIV. Dat was een helsch krakeelen LXXXV. Wel op! wel op! LXXXVI. Nog vraagt men in gepeins LXXXVII. Jongens, meisjes, komt naar 't spel LXXXVIII. Toen ik een viertal jaren LXXXIX. Van waar dat gij zoo treurig zijt XC. En 's avonds als ik slapen ga XCI. Toen Arteveld te Rozebeke XCII. Alle jongens zijn reeds hier XCIII. Klaas was laat naar 't bosch gegaan XCIV. Soldaatje te spelen is naar onzen zin XCV. Zijt ge niet meer heden XCVI. Een ezel, jong van jaren XCVII. Wie kent niet Keizer Karel XCVIII. Toen er een tweede broerken kwam XCIX. De zomervreugd is binnen C. De grijze goede Duinus CI. Ik had een kleinen hond CII. 'k Zie mijn zusje zwak en week CIII. Zanne, vaarwel CIV. De Koning van Hispanien CV. Daar suizelt het loofje CVI. Poes, gij hebt het spek gestolen CVII. Drop, drop, drop CVIII. Waarom niet lustig van gemoed CIX. 't Is de eerste schoone dag van Maart CX. Meisje, wilt ge dan niet draaien CXI. Ben ik maar klein CXII. De koekoek is een slimme gast CXIII. Uit het gras steekt muisje lief CXIV. Mijn hondje ligt hier aan den band CXV. Wanneer gij ergens zitten gaat CXVI. Wat ik zou gaarne doen CXVII. Ik sta nu voor de zon CXVIII. Daar zijn ze reeds de spelemans CXIX. Van onzen eersten Koning CXX. Gispelen komt het God gehoord CXXI. De korenaren wiegen CXXII. Slaap, goude monder, moê door 't werk CXXIII. Heet steekt de zon CXXIV. Gij slaapt in 't graf zoo stil, zoo zacht CXXV. Wij zaten, arme weezen
État
D'occasion - Bon
Langue
Néerlandais
Type d'articles
Livre - Couverture rigide
Année
1879
Éditeur
L. Dela Montagne (Antwerpen); J. Noordendorp (Amsterdam)
Nombre de pages
115 pages
cover onfris, no dust jacket
